Heimwee naar het land

Door Ton Stier

Het credo ‘God, Nederland en Oranje’ mag dan sinds de negentiende eeuw veel harten hebben ingewonnen, het is moeilijk met reële feiten in overeenstemming te brengen. Natuurlijk hebben deels Bijbelse normen en waarden ooit de basis van onze wetgeving en rechtspraak gevormd, maar daarmee is Nederland nog geen christelijke natie.

Voor velen is God niet meer dan een menselijke projectie, is Oranje veelal gedegradeerd tot het ‘oranjegevoel’ rondom sportevenementen en ‘bestaat de Nederlandse identiteit niet’, liet onze koningin van Argentijnse bloede zich eens ontvallen.

Als we echter spreken over God, Israël en het Davidische koningshuis, resoneert heel de Schrift mee!

Israël, een uniek volk

Israël is uniek. Er is immers geen volk ter wereld aan wie God een land heeft beloofd. Een gebied waarvan Hij zowel de externe grenzen bekendmaakte, alsook de interne grenzen: de gebieden waarbinnen de twaalf stammen ieder hun eigen grondgebied kregen toegewezen (Joz. 13-19; zie ook Ezech. 48).
Overigens bepaalde de Heere niet alleen hun fysieke grenzen maar ook de grenzen waarbinnen het godsdienstig, sociaal-maatschappelijk, economisch en agrarisch leven zich moest afspelen. En dat alles in relatie tot het Davidisch koningshuis, waaruit uiteindelijk de Messias zou voortkomen. Een geweldige belofte waaraan Paulus zijn volksgenoten in de synagoge van Antiochië herinnert: “Ik heb David, de zoon van Isaï, gevonden, een man naar mijn hart, die al mijn bevelen zal volbrengen. Uit zijn nageslacht heeft God voor Israël, volgens de belofte, de Zaligmaker Jezus doen voortkomen” (Hand. 13:22, 23). God, Israël en het Davidisch koningshuis zijn onlosmakelijk en op unieke wijze met elkaar verbonden. Zou dat de basis voor de heimwee naar het land kunnen zijn? Christus is immers de Heilandvan Israël (Jes. 43:3), de Rots van Israël (Gen. 49:24), de Bewaarder van Israël (Ps. 121:4), de Herder van Israël (Ps. 80:2), de Bron van Israël (Ps. 68:27), de Heiligevan Israël (Ps. 71:22), de Machtige van Israël (Jes. 1:24), de Hoop van Israël (Jer. 14:8) en ja, ook de Koning van Israël (Zef. 3:15).

Wenend denken aan Sion

Maar zou verlangen naar het land ook in de Joodse nesjomme1 door God kunnen zijn ingeschapen? Het volk behoort immers tot één van Gods unieke scheppingswerken (Jes. 43:1). In ieder geval is het verlangen onderdeel van de geschiedenis die zij meedragen.

Of zou je moeten zeggen: meetorsen? Want heimwee kan pijnlijk knagen, zo blijkt uit Psalm 137: “Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij, ook weenden wij als wij aan Sion dachten. Wij hadden onze harpen gehangen aan de wilgen die daarbinnen zijn. Toen zij die ons gevangen hielden, daar woorden van een lied van ons verlangden, en wie ons omvergeworpen hadden, blijdschap: Zing voor ons een van de liederen van Sion!”

Sion zou je de vierde onverbrekelijke schakel kunnen noemen, waarmee land en volk met elkaar verbonden zijn. De ballingen aan de rivieren van Babel – mogelijk de plaats die zij voor hun reinigingsrituelen bezochten – weenden als zij aan Sion

dachten. Sion was de plaats waar de HEERE te midden van Zijn volk in Zijn heilige tempel had gewoond. Smekend om Gods verlossing is Sion ook altijd hun fysieke en geestelijke gebedsrichting in de diaspora geweest: “Och, dat Israëls verlossing uit Sion kwam! Wanneer de HEERE de gevangenen van Zijn volk laat terugkeren, dan zal Jakob zich verheugen, Israël zal verblijd zijn” (Ps. 14:7; vgl. Dan. 6:11). De complete belofte van die verlossing werd niet vervuld toen de Perzische koning Kores de ballingen in Babel gelegenheid gaf om terug te keren. Sinds de aanvang van ‘de tijden der heidenen’2 bleef Israël slechts een vazalstaat van de toenmalige wereldmachten.

Zelfs de door de teruggekeerde ballingen herbouwde tempel veroorzaakte onder degenen die Salomo’s tempel hadden gekend, verdriet en heimwee. “Maar velen van de priesters en de Levieten en de familiehoofden, namelijk de ouderen die het eerste huis op zijn fundering gezien hadden, huilden met luide stem toen zij dit huis voor hun ogen zagen, terwijl vele anderen met gejuich en met blijdschap hun stem verhieven. En het volk kon geen onderscheid maken tussen het geluid van het vreugdegejuich en het geluid van het huilen van het volk, want het volk hief een groot gejuich aan en het geluid werd tot ver gehoord”

(Ezra 3:12-13; zie ook Hag. 2:4).

Vreugde en geween

Een groter contrast was nauwelijks denkbaar. Twee groepen teruggekeerde ballingen die hetzelfde zagen, voor de een echter aanleiding tot gejuich, voor de ander tot geween.
Als we even een brug slaan naar de actualiteit van vandaag, dan is zo’n dubbele beleving in het huidige Israël ook heel herkenbaar. Degenen die het als fijn thuisland ervaren, tegenover degenen die er het leven als een zware last ervaren. Ik citeer in dit verband één van de ‘schrijvers des vaderlands’, David Grossman, wiens zoon Uri tijdens de Libanonoorlog omkwam. Zijn recent uitgekomen boek ‘Leven en schrijven in tijden van oorlog’3 bevat een aantal boeiende essays, waarin hij woorden geeft aan de last die veel van zijn volksgenoten meetorsen. Grossman schrijft: “Israël is een land van vluchtelingen uit een verschrikkelijke ramp, een land dat gebukt gaat onder trauma’s. Het trauma van de Joodse geschiedenis, het trauma van de Holocaust, de trauma’s van opeenvolgende oorlogen.”4
“Ondanks zijn grote militaire macht is het Israël nog niet gelukt zijn burgers de natuurlijke gemoedsrust te geven van iemand die zich stevig in zijn thuis en land geworteld voelt. Tragisch genoeg is Israël er niet in geslaagd een fundamentele wond van de Joodse ziel te helen – het bittere gevoel van nooit echt thuis te zijn in de wereld.”5

Ook het duivels dilemma die de Iraanse nucleaire dreiging in zich bergt, laat Grossman niet onbeschreven. “Is het verstandig dat Israël op eigen houtje een oorlog met Iran begint, een oorlog waarvan de gevolgen niet te overzien zijn, om een toekomstige situatie te voorkomen die inderdaad gevaarlijk is, maar waarvan we niet weten of ze ooit zal ontstaan? Met andere woorden, moet Israël een zekere ramp uitlokken om morgen een potentiële ramp te voorkomen.”6

Als we deze woorden op ons laten inwerken, mogen we misschien onszelf afvragen in hoeverre we als christenen in deze schrijnende werkelijkheid met Israël

meeleven: hun heimwee naar een echt ‘thuis’, waar vrijheid en veiligheid geborgd zijn. Of bevinden we ons op zo’n veilige fysieke afstand van Israël, dat we ons een juichstemming over vervulling van profetieën kunnen veroorloven, terwijl we weten dat diezelfde profetieën spreken over een nog te komen moeilijke periode? Kijken we weg van de vaak traumatische en demoraliserende effecten die de diensttijd bij veel jongeren tot gevolg heeft? De oorlogsdreiging, het slepend Israëlisch-Palestijns conflict, de afweging van wel of niet militair ingrijpen, wel of niet dat dodelijke schot… Factoren die een niet te onderschatten wissel trekken op de spankracht van een volk.

Missing link

Ha-tikwa (de hoop) is de veelzeggende naam van het Israëlische volkslied, dat eindigt met de woorden: “De hoop die al tweeduizend jaren leeft een vrij volk te zijn in ons land. Het land van Sion en Jeruzalem”.
Is die hoop vervuld? Het antwoord is nee, want er is nog een ‘missing Link’: God, Israël en het Davidische koningshuis, dat echter eens zal terugkeren in de Persoon van de beloofde Messias, Die “als een herder Zijn kudde zal weiden: Hij zal de lammetjes in Zijn armen bijeenbrengen en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden” (Jes. 40:11).

Dan zal het knagend heimwee voorgoed ten einde zijn, want “in Zijn dagen zal Juda verlost worden en Israël onbezorgd wonen” (Jer. 23:6).
Tot die tijd mogen we biddend en getuigend met hen meelopen over een ruwe weg van hobbels en kuilen naar de vervulling van Gods belofte van een verlost Sion.

1. Het voor Joden vertrouwde Jiddische woord voor ziel.
2. Deze tijden van de heidenen (Luk. 21:24) begonnen bij Nebukadnezar, de door God aangestelde koning der koningen (Dan. 2:37).
3. Uitgeverij Cossee, ISBN 978 90 5936 675 6
4. pag. 82
5. pag. 139
6. pag. 49