Alverzoening ook wel universalisme genoemd

Wat is universalisme?

Universalisme, of ‘alverzoening’ zoals het ook wel bekend staat, gaat uit van de veronderstelling dat (uiteindelijk) alle mensen gered zullen worden. Dit staat tegenover de gedachte van het particularisme dat stelt dat alleen zij die de juiste weg van geloof gaan verlost zullen worden.

Het universalisme komen we binnen het christendom voor het eerst tegen bij Origenes (185-254), een van de kerkvaders. Bij hem zien we de eerste gedachten rondom dit onderwerp geformuleerd worden, hoewel er geen sprake is van een uitgewerkte theologie in zijn denken op dit punt. Dat komt later als een en ander in de eeuwen daarna door anderen verder wordt vormgegeven. Op het vijfde concilie van Constantinopel in 553 wordt het universalisme uiteindelijk veroordeeld als een ketterij; een afwijking van de orthodoxe geloofswaarheden van de Bijbel en het christelijke geloof.

Toch is het universalisme nooit helemaal verdwenen. Het is altijd aanwezig geweest, zij het wel voor lange tijd als een kleine minderheidspositie. Na 1800 komt daar langzaamaan verandering in en zeker in de postmoderne tijd is het een thema in filosofie, godsdienstwetenschappen, alsmede theologie. Ook sommige kerkrichtingen en denominaties zijn in meer of mindere mate beïnvloed door universalistische theologie.

Universalisme kent vele uitingsvormen. Een niet per se christelijke variant is de gedachte dat er vele wegen naar Rome zouden leiden op het godsdienstige erf: eender welke religie ook, allen komen (mits oprecht gevolgd) uit bij de ene God of Godheid. Het christendom is slechts een variant in een breed spectrum. Al ben je moslim, Hindoestaans of Joods, het maakt geen wezenlijk verschil voor je uiteindelijke bestemming.

Een andere, meer exclusief christelijke variant van ditzelfde denken, is de gedachte dat mensen in dit leven, maar ook daarna, steeds weer kansen krijgen om tot God te komen in Christus. Uiteindelijk zal iedereen zich bekeren. Geen enkele veroordeling is immers voor altijd, zo wordt gesteld. Zo groot is de kracht en werking van de genade van Christus. Aanhangers van deze gedachtengang kunnen zich niet voorstellen dat een rechtvaardige en goede God geen maat zou zetten op de straf die staat op de overtreding en zonde. Deels is deze gedachte gebaseerd op een begrijpelijk hoopvol verlangen: wie zou immers niet willen dat geen van je ongelovige vrienden, familie, buurtgenoten, collega’s, etc. verloren zouden gaan? Het liefst wil iedere christen dat iedereen gered wordt en hoe mooi zou het zijn als dat mogelijk was? Toch is het ook meer dan slechts een hoopvol verlangen. Er zit ook een theologische doordenking achter die beweert dat de Bijbel zelf dit leert.

In dit artikel wil ik een aantal van de argumenten van deze theologische positie voorbij laten komen om deze af te wegen op hun merites. Daarbij zij vooraf gezegd dat ik een particularist ben. Mensen die meer van mij gelezen hebben of preken van mij gehoord hebben, weten dit: ik geloof niet dat alle wegen naar Rome leiden. Zeker niet! Ik geloof dat er maar een weg is tot God en die loopt via zijn Zoon Jezus Christus. Hier in dit leven hebben wij de kans en de mogelijkheid om tot God te komen via hem en hem alleen. Dat is genade, daarin is de verlossing en de verzoening met God te vinden. Na dit leven is dat niet meer mogelijk.

Ik ben dus geen aanhanger van het universalisme, in welke variant dan ook. Wil ik dan niet dat God allen met hem verzoend? Natuurlijk wel, ik schep geen vreugde in de gedachte dat mensen verloren gaan. Het liefst zou ik ook zien dat allen Christus vinden. Maar God is God en hij heeft de weg naar hem via Christus gebaand. Dat is zo bepaald. God heeft ons de vrijheid gegeven om daarin te kiezen en God neemt onze keuzes serieus. Nu is de tijd om te kiezen, straks is de tijd om de consequenties van die keuze te ontvangen: of een eeuwig leven op de verlossing door Jezus Christus, de onvergankelijke hoop en erekrans voor hen die volharden tot het einde, of het oordeel, de tweede dood in de vuurpoel, zoals dat in de laatste hoofdstukken van Openbaring wordt beschreven.

Een aantal argumenten van het universalisme gewogen.

Het grote probleem in de gedachtegang van hen die geloven dat alle mensen uiteindelijk gered zullen worden, is dat zij de universele beschikbaarheid van de verlossing verwarren met de universele verlossing zelf. Dat er namelijk verlossing is voor iedereen is volgens mij Bijbels. God wil niet dat er ook maar een mens verloren gaat, zegt 2 Petrus 3: 9 al. Daarom is zijn Zoon Jezus Christus gekomen, zodat iedereen die in hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft (Johannes 3: 16). Als Romeinen 3 in dit verband uitlegt dat ieder mens gezondigd heeft en daarom Gods nabijheid ontbeert, om vervolgens Christus te introduceren als degene die God heeft gestuurd om mensen te verlossen, dan sluit dat gedeelte af met de veelzeggende woorden: ‘hiermee bewijst God dat hij rechtvaardig is, want in zijn verdraagzaamheid gaat hij voorbij aan de zonden die in het verleden zijn begaan. Hij wil ons nu, in deze tijd, zijn gerechtigheid bewijzen: hij laat ons zien dat hij rechtvaardig is door iedereen vrij te spreken die in Jezus gelooft (Rom. 3: 25-26).’ Voor iedereen is er verlossing.

Echter niet iedereen wil die verlossing voor zichzelf en dat mag, want wij zijn vrij om voor hem en zijn liefde te kiezen. Of niet. Niet dat God niet bij machte zou zijn om ons tot trouw en aanbidding te brengen, maar hij heeft zijn almacht vrijwillig beperkt om ons vrijheid te geven. Werkelijke liefde kan immers alleen daar gedijen en aanwezig zijn, waar de relatie tussen de betrokken partijen gevormd is door vrijheid van keuze; slechts als alle partijen vrij zijn om elkaar lief te hebben, kan ware liefde ook vorm krijgen.

Deze vrijheid wordt door hen die geloven in een variant van alverzoening niet serieus genomen of op z’n minst verkeerd begrepen. Immers, als iedereen sowieso gered wordt, wat heeft de keuzevrijheid dan nog voor zin? Kan er dan überhaupt nog sprake zijn van een vrije wilskeuze voor God uit en in liefde? Het is dan immers sowieso onvermijdelijk dat we met God verzoend worden en hem ‘lief’ gaan hebben. Toch waren Adam en Eva al vrij om te kiezen. God neemt dan ook de keuzevrijheid van de mens serieus, zowel in de keuze als in de consequenties daarvan.

Vanuit deze basisgedachte zullen we een aantal verzen uit de Bijbel voorbij laten komen die volgens aanhangers van het universalisme wijzen op de redding van allen, wie ze ook zijn en wat ze ook gedaan hebben.

1 Korinthe 15: 22: ‘zoals wij door Adam allen sterven, zo zullen wij door Christus allen levend worden gemaakt.’

Zoals bij veel teksten die aangehaald worden door de aanhangers van universalistische ideeën omtrent verlossing, zou je op basis van enkel dit vers alleen terecht kunnen argumenteren dat iedereen dus gered worden door God. Echter dan moet de verdere context van deze tekst genegeerd worden. In dezelfde brief zegt Paulus in 1 Korinthe 16: 22 bijvoorbeeld: ‘als iemand de Heer niet liefheeft – hij zij vervloekt.’ Een uitspraak die volledig in lijn staat met de rest van de theologie van Paulus en de overige geschriften van het Nieuwe Testament. Daarnaast veronderstelt een universalistische exegese van dit vers dat de term ‘allen’ ook letterlijk op allen in de breedste zin van het woord slaat. Toch is dat niet het geval. In het 23e vers wordt het ‘allen’ namelijk al toegespitst: ‘maar ieder op de voor hem bepaalde tijd: Christus als eerste en daarna, wanneer hij komt, zij die hem toebehoren.’ Het ‘allen’ van vers 22 slaat dus op ieder die in Christus leeft of is gestorven, niet op alle mensen in de wereld. Het gebruik van het woord ‘allen’ is daarmee dus geen aanwijzing voor de alverzoening en de verlossing van alle mensen. Net zo min als dat een voorganger die allen welkom heet in een dienst, daarmee alle mensen ooit zou bedoelen. Net zo min als dat Markus in Markus 1: 5 met ‘alle inwoners van Judea en Jeruzalem stroomden toe en lieten zich door hem dopen,’ letterlijk alle inwoners bedoelt. Het woord allen is in beide voorbeelden niet universeel, maar specifiek en dat geldt ook voor het ’allen’ van vers 22: ook dat is niet universeel. Het is aldaar een term bedoeld voor een specifieke groep (‘zij die hem toebehoren’) en dat moet niet uit het oog verloren worden.

Filippenzen 2: 9-11: ‘daarom heeft God hem hoog verheven en hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat, opdat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel, op aarde en onder de aarde, en elke tong zal belijden: ‘Jezus is Heer,’ tot eer van God de Vader.’

In dit vers staat dat ‘elke knie zich zal buigen’ en ‘elke tong zal belijden’ dat Jezus de Heer is. Mensen die geloven in een universele verlossing van allen zien hierin een bevestiging dat alle mensen in dit leven of het volgende uiteindelijk dus verzoend worden met Christus. Er zitten echter twee problemen bij deze uitleg. Het eerste probleem is dat het belijden in dit vers binnen deze exegese automatisch zou betekenen dat er dus verzoening optreedt tussen God en mensen. Dat is in mijn ogen echter een misvatting. Dat mensen uiteindelijk tot het inzicht zullen komen dat Jezus Heer is, als hij zich in zijn glorie openbaart aan het einde van de tijd, betekent nog niet dat ze geloof hebben en verzoend worden met de Heer. Terecht staat in Jakobus dat zelfs demonen geloven dat er één God is (Jakobus 2: 19), maar dat maakt hen nog niet tot gelovigen en dat brengt op zichzelf geen verzoening. Men kan tandenknarsend erkennen dat Jezus inderdaad Heer is, omdat men er niet meer om heen kan, maar dat impliceert nog geen bekering of geloof. Het belijden van Filippenzen 2 betekent voor hen die gelovigen dat zij de ‘beloning’ zullen ontvangen, de ‘erekrans’ zoals Paulus daar in 1 Korinthe 9 over spreekt, maar voor hen die niet wilden geloven betekent het de ondergang. Zij zullen door de feiten van het moment worden ingehaald en hun eigen inzichten zullen hen veroordelen. Voor iedereen, zelfs voor de tegenstanders van de Heer, is het dan onweerlegbaar duidelijk: Jezus is Heer. En dat zal iedereen moeten erkennen, hetzij ten leven, hetzij ten oordeel.

Ten tweede neemt een universalistische exegese dit vers los van de context van de rest van de brief aan de Filippenzen. En dat is ook hier, net zoals we al zagen bij het vers uit 1 Korinthe 15, een probleem. In deze brief geeft Paulus namelijk ook aan dat zij die niet willen geloven en tegenstanders van het evangelie zijn, uiteindelijk ten onder zullen gaan. Ik noem een tweetal verzen ter voorbeeld. Ten eerste: ‘laat u op geen enkele manier door uw tegenstanders angst aanjagen, want dit is een teken van God: voor hen dat ze ten onder gaan, voor u dat u wordt gered (Filippenzen 1: 28).’ En ten tweede: ‘velen leven als vijanden van het kruis van Christus en gaan hun ondergang tegemoet (Filippenzen 3: 18 & 19a).’ Deze verzen wijzen dus in een heel andere richting dan de uiteindelijke redding van iedereen. In deze zelfde brief wordt door Paulus daarin nadrukkelijk verwezen naar de ondergang van de goddelozen en dat is op zijn minst een tegenwicht tegen de eenzijdige exegese dat alle mensen uiteindelijk gered worden op geloof.

Tot slot, en dit hebben andere exegeten en theologen ook al benadrukt, is Filippenzen 2: 9-11 een parafrasering op en verwijzing naar Jesaja 66: 23, waar staat: ‘elke nieuwemaan en elke sabbat opnieuw zal alles wat leeft hierheen komen om zich voor mij neer te buigen – zegt de Heer.’ Dit vers vormt de achtergrond van deze passage voor Paulus. Dit gedeelte in Jesaja echter is ook niet universalistisch te verstaan, want ook daar laat dit Bijbelboek de andere kant van de medaille zien. Jesaja 66: 24 zegt: ‘bij het verlaten van de stad zien ze de lijken van hen die tegen mij in opstand kwamen: de worm die aan hen knaagt zal niet sterven, en het vuur waarin ze branden zal niet doven, ze worden verafschuwd door alles wat leeft.’ Opnieuw dus heel duidelijk het onderscheid tussen hen die geloven en hen die, door hun ongeloof, ten onder zullen gaan.

1 Tim. 2: 3 & 4: ‘Dat is goed en welgevallig in de ogen van God, onze redder, die wil dat alle mensen worden gered en de waarheid leren kennen.’

In dit gedeelte komt een ander argument naar voren van hen die geloven in redding voor allen, namelijk dat het Gods wil is dat mensen gered worden en als God iets wil, dan zal hij dat doen, want hij is God.

Deze redenering doet echter geen recht aan wat ik eerder al omschreef als de vrijwillige beperking van Gods almacht door hemzelf om zo ons de vrijheid te geven zelf keuzes te kunnen maken. God wil bijvoorbeeld ook niet dat mensen zondigen, maar hij geeft ons de ruimte om op basis van deze wetenschap te kiezen hoe wij ons leven leiden. Ook daarin beperkt God zich. En dat geldt evenzo voor de verlossing van het evangelie. Het is het werk van God, in Jezus zijn Zoon, dat voor allen beschikbaar is, maar het moet wel gewild worden door de mens. De waarheid van Jezus, het kruis, de opstanding en de genade is voor allen, maar het is aan de mens om dat aan te nemen of niet.

Tot slot nog dit: alle christelijke varianten van het universalistische denken, geloven dat er na de dood nog kans is om tot Christus te komen en gered te worden. Dat kan niet anders, want hier sterven er mensen die niet geloven, opstandig zijn, rebels, ontkennend, onverschillig en ga zo maar door. Willen zij gered worden dan moet er na de dood op een of andere manier nog een mogelijkheid zijn dat zij zich kunnen bekeren, dan wel bekeerd kunnen worden. Het probleem is echter dat dit nergens in de Bijbel wordt gezegd of genoemd.

En daar wringt de schoen behoorlijk. Vele aanhangers van eender welke variant van de alverzoening wijzen in dit verband op de logische uitkomst van hun theologie: een logische doordenking van de theologie van het Nieuwe Testament laat je uitkomen bij deze gedachte. Ikzelf ben het daar op zich al niet mee eens, zo heb ik ook in dit artikel laten zien, maar los daarvan vind ik deze redenering op zichzelf ook nog eens heel mager, zeker als het om een zo fundamenteel punt van geloof gaat. Voor een gedachtengang als deze met zulke verstrekkende conclusies, mag er theologisch gezien wel meer vlees op de botten zitten, dan enkel een logische eindconclusie van het denken. Temeer daar veel fundamentele waarheden en grondbeginselen van ons christelijke geloof juist niet logisch beredeneerbaar zijn. Die komen neer op geloof. Immers ons geloof leert ons dat Jezus volledig God en volledig mens was, dat God stierf aan het kruis, dat de genade die geheel Gods werk is, toch ook door mensen gewild moet worden om verlossing te krijgen, etc. Als daar de enige maatstaf voor waarheid en betrouwbaarheid de logische doordenking bij zou zijn, zou je nooit tot deze claims komen en wellicht zelfs nooit tot geloof komen. Daarbij, en dat zagen we ook al eerder terugkomen, men moet nogal veel van het Nieuwe Testament, waarop men zich zegt te baseren, negeren en aan de kant schuiven, wil men tot een vorm van universalisme komen op basis van een logische doordenking van de theologie van het Nieuwe Testament als geheel.

Ik sluit daarom ook af met een citaat van Jezus in Lukas 13, als hem gevraagd wordt: ‘Heer, zijn er maar weinigen die worden gered?’ Jezus antwoordt dan: ‘doe alle moeite om door de smalle deur naar binnen te gaan, want velen, zeg ik jullie, zullen proberen naar binnen te gaan maar er niet in slagen. Als de Heer des huizes eenmaal is opgestaan en de deur heeft gesloten, en jullie staan buiten op de deur te kloppen en te roepen: ‘Heer, doe open voor ons,’ dan zal hij antwoorden: ‘ik ken jullie niet, waar komen jullie vandaan?’ Jullie zullen zeggen: ‘we hebben in uw bijzijn gegeten en gedronken en u hebt in onze straten onderricht gegeven.’ Maar hij zal tegen jullie zeggen: ‘ik ken jullie niet, waar komen jullie vandaan? Weg met jullie, rechtsverkrachters!’ Dan zullen jullie jammeren en knarsetanden wanneer je Abraham, Izaäk en Jakob en al de profeten in het koninkrijk van God ziet, maar zelf buitengesloten wordt.’

Met toestemming overgenomen van Roelof Ham. Voor meer artikelen van Roelof zie www.roelofham.nl.