Moeten Christenen zich aanpassen aan de tijdgeest? (4)

De tijdgeest  en de Waarheid

“Laat niemand u misleiden met drogredenen, want door zulke dingen komt de toorn Gods over de kinderen der ongehoorzaamheid. Doet dan niet met hen mee. Want gij waart vroeger duisternis, maar thans zijt gij licht in de Here; wandelt als kinderen des lichts,- want de vrucht des lichts bestaat in louter goedheid en gerechtigheid en waarheid-, en toetst wat de Here wel behagelijk is. En neemt geen deel aan de onvruchtbare werken der duisternis, maar ontmaskert ze veeleer”. Efeziërs 5:6- 11.

Hoewel er politieke, economische, culturele en religieuze veranderingen zijn geweest, kan het huidige Europa als hersteld Romeinse Rijk worden beschouwd.  Financiële en sociaal/maatschappelijke problemen, zoals de immense vluchtelingen stroom uit Azië en Afrika, wakkeren de  bestaande problemen alleen maar verder aan. Toch is het allergrootste probleem de morele terugval. Het uitgangspunt voor de gangbare normen en waarden  van de tijdgeest was en is gelegen in het dominante Grieks-Romeinse denken.

Romeins-Grieks denken en Jezus Christus

Hebreeërs, Joden en Christenen ervaren de spanning die bestaat tussen de enerzijds de Romeins-Griekse of heidense tijdgeest en anderzijds de Bijbelse/ Hebreeuwse levensovertuiging.

In gedrag, woord en daad wordt door Farizeeën en Sadduceeën de tijdgeest zichtbaar gemaakt. 

“Toen Johannes de Doper nu zag dat vele van de Farizeeën en Sadduceeën tot de doop kwamen, zei hij tot hen: Adderengebroed, wie heeft u een wenk gegeven om de komende toorn te ontgaan. Brengt dan vrucht voort die aan de bekering beantwoordt, en beeldt u niet in, dat gij bij uzelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham tot vader, want ik zeg u, dat God bij machte is uit deze stenen Abraham kinderen te verwekken. Reeds ligt de bijl aan de wortel der bomen: iedere boom dan, die geen goede vruchten voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen”. Matteüs 3:7-10.

Johannes noemde Farizeeën en Sadduceeën verwekkers van giftige slangen omdat beiden met hun giftige  leer vele volgelingen (=broedsel) misleiden. Zij kwamen niet naar Johannes toe om gedoopt te worden (Lucas 7:30), maar uit bevooroordeelde nieuwsgierigheid.

De Farizeeën en wereldse dogma’s

De Farizeeën beschouwen zich als afgescheidenen. Na de ballingschap houdt de dienst van de profeten op te bestaan. Vrome mannen, Chasidim, komen bij elkaar om de eerbied voor de wet (Thora) onder de uit de Babylonische ballingschap teruggekeerde Joden levendig te willen houden. Deze beweging ontaardde onder invloed van de Babylonische cultuur en er ontstonden eigen interpretaties van de tradities, die feitelijk de wet belasten en ze beweerden, dat deze interpretaties door de HERE zelf aan Mozes gegeven waren (?) en zo dezelfde autoriteit hadden als de wet zelf (Matteüs 15:2-3); Marcus 7:8-13; Galaten 1:4).  Ze beschouwden eigen geschriften als een dogma of wet belangrijker dan de Bijbel. Ieder lid, chaber (Richteren 20:11) was verplicht de grondbeginselen van de Farizeeën trouw te blijven. Ze waren moralistisch, ijverig en verloochenden zichzelf, maar ze waren zeer eigengereid (Lukas 18:9). Het ontbrak hen aan zondenbesef en persoonlijk berouw (Lukas 7:39). Ze waren rechtzinnig, erkenden het bestaan van boze en goede geesten, de onsterfelijkheid van de ziel, de opstanding van het lichaam en een soort (Stoïcijnse) voorbeschikking (Handelingen 23:8). Ze waren de ergste vervolgers van Jezus Christus en tegenstanders van Zijn scherpe verwijten (Matteüs 23:1-36; Lukas 11:42-44), maar hadden veel invloed op het gewone volk.

“Maar Jezus zei tot hen: Terecht heeft Jesaja (Jesaja 29:13) van u huichelaars geprofeteerd, zoals er geschreven staat: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij. Tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen leren, die geboden van mensen zijn”.(Marcus 7: 6,7).

De Farizeeën staan ook vandaag model voor kerkleiders en theologen, die met verwijzing naar eigen dogma’s en uitleggingen, de Bijbel passeren of napraten en zo de gemeente van Jezus Christus misleiden.

De Sadduceeën, toepassing van het Grieks-Romeins denken

De Sadduceeën vormden eerder een politieke dan religieuze partij.  Het meest waarschijnlijk is dat ze ontstond tijdens de Perzische en de Griekse tijd en werd gevormd door mannen die staatkundige belangen van het joodse volk boven die van de godsdienst stelden. Ze waren nogal wereldsgezind, cultuurmensen, die de Griekse beschaving verheerlijkten. Ze loochenden het bestaan van engelen, van geest(en) en van wonderen en in het bijzonder de opstanding van het lichaam. Ze waren de rationalisten van hun tijd (Marcus 12:18-23) en sterk vertegenwoordigd in het Sanhedrin (de Hoge Raad) en het priesterdom (Handelingen 4: 1-5 en 7:17).  De Sadduceeën hadden beslist geen positieve leer: ze ontkenden het bestaan van het bovennatuurlijke. 

Ze conformeerden zich aan de Romeinse machthebbers en zochten dominante politieke macht. Bij de gevangenneming van Jezus, waren de hogepriesters Annas en Kajafas invloedrijke Sadduceën ( Johannes 18:24).  Ze waren eerder representatief voor het Romeins-Griekse denken, dat in de tijdgeest sturend was, dan voor het priesterdom.

De Sadduceeën staan vandaag model voor de liberale/ libertijnse en vrijzinnige machthebbers, naamchristenen, die eveneens dominant willen zijn over alle andere levensbeschouwingen. Ook zij hebben ok vandaag grote invloed op het volk en de politiek.

“Sadduceeën beweren dat er geen opstanding is… en zij ondervroegen Hem……Jezus antwoordde en zei tot hen: Gij dwaalt, want gij kent de Schriften niet noch de kracht Gods. Immers in de opstanding huwen zij niet en worden zij niet ten huwelijk genomen, maar zij zijn als engelen in de hemel. Wat nu de opstanding der doden betreft, hebt gij niet gelezen, wat door God tot u gesproken is, toen hij zei: Ik ben de God van Abraham, en de God van Isaak, en de God van Jakob. Hij is niet een God van doden, maar van levenden. En de scharen stonden versteld van zijn leer”. (Matteüs 22: 23 en29 – 33). 

Het ontkennen van de opstanding wordt door Jezus definitief weerlegd. In Markus 12: 27  zegt Jezus tegen hen “Gij dwaalt wel zeer”. In het Griekse denken wordt immers niet geloofd in (de) geest, in engelen en in de opstanding. Jezus antwoord gaat juist in op al deze aspecten, anders zou verlossing niet mogelijk zijn! 

“Ik ben de opstanding en het leven!”

Vlak voor de opwekking van Lazarus, de broer van Marta en Maria zegt Jezus tot Marta:

“Uw broer zal opstaan, Marta zei tot Hem: Ik weet dat hij zal opstaan bij de opstanding ten jongste dage. Jezus zei tot haar: Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en een ieder, die leeft en in Mij gelooft zal in eeuwigheid niet sterven?;gelooft gij dat? Zij zei tot Hem:” Ja, Here, ik heb geloofd dat Gij zijt de Christus, de Zoon van God, die in de wereld komen zou” (Johannes 11:23-27).

Geloof in de(ze) Waarheid maakt het verschil tussen de oprechte volgelingen van Jezus Christus en de volgelingen van de tijdgeest van nu aan tot in eeuwigheid!

Abraham de Zwart

Geraadpleegde literatuur: 

Bijbelse Encyclopedie, onder redactie van onder meer Prof. De H.N. Ridderbos, 1975, 6e druk, Uitgeversmaatschappij J.H.Kok, Kampen.

Die Neue Scofield Bibel, Mit Erläuterungen . Die Heiligen Schrift nach der Deutschen Übersetzung D. Martin Luthers, New York- Oxford Press 1967; Missionswerk Mitternachtsruf, Pfäffikon/ZH Schweiz.

Encyclopaedia Britannica, Micropaedia Volume VII en VIII, 1973,15th edition, Chicago, London.

La Sainte Bible avec commentaires de John MacArthur, Nouvelle edition de Genève 1979, Société Biblique de Genève, 2006.

Bijbel: NBG.